Manuscript Preview
“Toen ik GOD niet zocht… en HIJ mij vond”

The following excerpt presents a selected passage from the manuscript, offering a first insight into the narrative, tone and thematic depth of the work.
Voorwoord
Sommige verhalen schrijf je niet zomaar.
Ze ontstaan.
Door wat je meemaakt.
Door wat je doorstaat.
Door wat je niet had gepland.
Dit boek is geen theorie.
Het is geen verzameling mooie gedachten.
Het is geen verhaal van iemand die alles onder controle had.
Dit is mijn leven.
Zoals het was.
Zoals het ging.
Met alles erop en eraan.
Van ongeloof… naar geloof.
Van opbouwen… naar alles verliezen.
Van vallen… naar opnieuw leren staan.
Er zijn momenten geweest waarop ik dacht dat het voorbij was.
Momenten waarop ik het niet meer zag.
Momenten waarop ik alles kwijt was.
En toch… ben ik hier.
Niet omdat ik sterker was dan anderen.
Niet omdat ik alles goed heb gedaan.
Maar omdat ik heb geleerd… dat je nooit alleen bent.
Dit boek is geschreven voor iedereen die zich ergens herkent in mijn verhaal.
Voor wie twijfelt.
Voor wie zoekt.
Voor wie gevallen is.
Niet om te overtuigen.
Maar om te laten zien…
dat er hoop is.
Altijd.
Hoofdstuk 4
De eerste echte kennismaking
Het leven ging zijn gang.
Zoals dat vaak gaat.
Huisje, boompje, beestje.
We hadden ons leven opgebouwd.
In Lommel hadden we een vrijstaand huis gekocht.
We hadden allebei een goede baan.
Onze dochter Ruby was net enkele maanden oud.
Alles leek op zijn plek te vallen.
Tot dat ene telefoontje.
Mijn vader belde.
We moesten diezelfde middag nog naar huis komen.
Mijn zus ook.
De huisarts wilde met ons allemaal spreken.
Op dat moment wist ik het al.
Dit was niet goed.
Mijn moeder vocht al tien jaar tegen kanker.
Een strijd die al zoveel van haar had gevraagd.
Darmkanker, meerdere keren.
En uiteindelijk had ze zelfs haar arm verloren aan deze ziekte.
Maar dit… voelde anders.
En dat was het ook.
De diagnose was hard en onomkeerbaar: vergevorderde longkanker.
Vanaf dat moment ging alles razendsnel.
Zes weken.
Meer was het niet.
Op een dag waren Katiane en ik onderweg naar huis, na een bezoek aan een kapper in Geldrop.
Het was geen gewone kapper, maar iemand die gespecialiseerd was in haar soort haar.
Iets wat, op dat moment, nog gewoon bij het leven hoorde.
Totdat het ineens veranderde.
We reden langs het ziekenhuis waar mijn moeder inmiddels al drie weken lag.
En plots voelde ik het.
Geen gedachte, geen logica.
Gewoon een gevoel.
We moesten terug.
Zonder discussie draaide ik de auto om.
Toen we aankwamen, zagen we mijn vader en mijn zus net de parking oprijden.
Het ziekenhuis had hen ook gebeld.
Ze moesten onmiddellijk komen.
Het ging niet goed.
Die middag gebeurde alles tegelijk.
Mijn moeder had nog enkele zussen en vriendinnen laten komen om afscheid te nemen.
Het besef was er.
Voor haar, en voor iedereen rondom haar.
Het liep tegen vijf uur.
De arts kwam binnen.
Mijn moeder had gevraagd om er een einde aan te maken.
Ze kon niet meer.
De pijn, de uitputting — het was genoeg geweest.
De artsen hadden ingestemd.
Ze ging rustig op haar bed liggen.
Ik stond naast haar.
Als oudste zoon voelde het vanzelfsprekend dat ik daar was.
Ik hield haar hoofd vast, voorzichtig, om haar gerust te stellen.
Mijn hand ging zacht door haar haren.
Ik keek haar aan.
En zij keek mij aan.
Er zat angst in haar ogen.
Pure, diepe angst.
En op dat moment zei ik, zacht:
“Het is goed, mam… ga maar.”
Ik keek even op naar de arts, die de band om haar arm had gedaan, klaar om het infuus aan te brengen.
Maar toen gebeurde er iets vreemds.
Hij maakte de band los.
Er was nog niets ingebracht.
Geen infuus.
Geen handeling.
En mijn moeder… stierf.
Vredig.
Op eigen kracht.
In mijn armen.
Katiane (mijn vrouw) stond achter mij.
Mijn vader en zus stonden aan de andere kant van het bed.
Iedereen was erbij.
En toch…
Niemand zag wat ik zag.
Want op dat moment — en ik kan het niet anders omschrijven — zag ik iets.
Iets dat uit haar borstkas leek op te stijgen.
Iets wat zich losmaakte van haar lichaam.
Iets wat omhoog ging… en verdween.
Door het plafond.
Was het haar ziel?
Haar geest?
Iets anders?
Ik weet het niet.
Maar één ding weet ik wel:
Wat ik zag… was echt.
Geen verbeelding.
Geen gedachte.
Geen emotionele projectie.
Het gebeurde.
De dagen daarna liet het me niet los.
Ik bleef eraan denken.
Steeds weer opnieuw.
Wat had ik gezien?
En als dat echt was… als er daadwerkelijk iets was dat verder ging dan het lichaam…
Dan moest er toch méér zijn?
Meer dan wat ik altijd had geloofd.
Meer dan niets.
Voor het eerst in mijn leven ontstond er een vraag die ik niet kon wegduwen.
Een gedachte die bleef hangen.
Misschien…
was er toch iets.