‘En dát noem je werken?’

Gepubliceerd op 25 september 2026 om 16:23

Over staren naar een scherm, praten met mensen die niet bestaan en waarom schrijven soms vermoeiender is dan het eruitziet.

Van buitenaf ziet schrijven er niet bijzonder indrukwekkend uit. Je zit op een stoel, kijkt naar een scherm, drinkt koffie en af en toe beweeg je wat met je vingers. Maar ondertussen voer je gesprekken met mensen die niet bestaan, los je problemen op die je zelf hebt veroorzaakt en kun je na drie uur werken trots zijn op… één alinea.

Van buitenaf ziet schrijven er eerlijk gezegd niet bijzonder indrukwekkend uit.

Je zit op een stoel.

Voor je staat een computer.

Er ligt misschien een kop koffie naast je.

Af en toe beweeg je wat met je vingers.

En als je het écht zwaar hebt, kijk je een tijdje uit het raam.

Dat is het ongeveer.

Geen bouwplaats. Geen zware machines. Geen vergadering met twaalf mensen die allemaal vinden dat hun eigen idee het beste is. Geen vrachtwagen die om zes uur 's morgens gelost moet worden.

Gewoon een man op een stoel.

Die naar een scherm kijkt.

En dát noem je werken?

Tja.

Welkom in de wonderlijke wereld van het schrijven.

Er gebeurt helemaal niets

Soms komt mijn vrouw langs terwijl ik aan het schrijven ben.

Of beter gezegd: terwijl ik achter mijn computer zit.

Want op dat moment schrijf ik helemaal niets.

Ik zit alleen maar naar een zin te kijken.

Vijf minuten.

Tien minuten.

Misschien nog langer.

Voor iemand die toevallig langsloopt, moet dat er ongeveer uitzien alsof mijn computer is vastgelopen en ik besloten heb solidair met hem te zijn.

Maar in mijn hoofd is het ondertussen behoorlijk druk.

Waarom zegt Sophie dit?

Zou ze dit überhaupt zeggen?

Weet ze op dit moment al wat ik als schrijver weet?

Nee.

Verdomme.

Dan kan ze dit dus helemaal niet zeggen.

Wissen.

Opnieuw.

Misschien moet Margaret het zeggen.

Nee, Margaret zit zestig jaar eerder.

Ook lastig.

Koffie.

Het probleem met mensen die niet bestaan

Dat vind ik misschien wel een van de vreemdste dingen aan schrijven.

Je bedenkt personages zelf.

Volledig.

Ze bestaan niet.

Je bepaalt hun naam, hun leeftijd, hun verleden, hun karakter en in principe alles wat ze doen.

Je zou dus verwachten dat ze vervolgens gewoon een beetje meewerken.

Vergeet het maar.

Op een bepaald moment krijgen goede personages namelijk de irritante gewoonte om een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen.

Dan schrijf je een scène en denk je ineens:

Dit zou hij nooit doen.

Pardon?

Ík heb jou bedacht.

Als ik wil dat jij die deur opent, dan open jij die deur.

Maar ergens weet je dat het niet klopt.

Dus gaat de deur niet open.

En mag jij als schrijver een andere oplossing bedenken omdat een fictief persoon weigert mee te werken aan het verhaal dat jij nota bene zelf aan het schrijven bent.

Probeer dat maar eens serieus uit te leggen aan iemand die niet schrijft.

Drie uur gewerkt

Er zijn ochtenden waarop het fantastisch gaat.

De woorden komen vanzelf. De scène zit al in mijn hoofd en mijn vingers hoeven hem alleen nog maar bij te houden.

Voor je het weet staan er duizend woorden.

Misschien tweeduizend.

Je leest het terug en denkt:

Ja. Dit is hem.

Dat zijn heerlijke momenten.

En dan zijn er andere dagen.

Drie uur achter de computer.

Een halve pagina geschreven.

Teruggelezen.

Niet goed.

Herschreven.

Nog steeds niet goed.

Koffie.

Nog een keer.

Beter.

Nee, toch niet.

Wissen.

Na drie uur staat er uiteindelijk één alinea.

Maar...

het is wél de juiste alinea.

En dat is het vreemde: dan kan ik achteraf oprecht het gevoel hebben dat het een goede schrijfochtend was.

Probeer dat eens bij een aannemer.

“Wat hebben jullie vandaag gedaan?”

“Drie uur gewerkt.”

“Mooi. En?”

“We hebben één steen gelegd.”

“Eén?”

“Ja, maar hij ligt fantastisch.”

Ik vermoed dat het gesprek daarna een iets andere kant op gaat.

En dan doe je de computer dicht

Daarmee is het trouwens niet afgelopen.

Dat was voor mij misschien wel de grootste verrassing.

Ik dacht vroeger dat schrijven iets was wat je deed wanneer je achter een computer zat.

Computer aan: schrijver.

Computer uit: klaar.

Hahahahaha.

Nee.

Je staat onder de douche en ineens weet je hoe een scène moet eindigen.

Je bent aan het koken en bedenkt waarom een personage iets deed wat drie hoofdstukken geleden eigenlijk nog nergens op sloeg.

Je ligt bijna te slapen en je hoofd besluit:

NU HEB IK EEN GEWELDIG IDEE.

Bedankt.

Had je daar misschien drie uur geleden mee kunnen komen toen ik daadwerkelijk achter de computer zat?

Nee?

Prima.

Licht weer aan.

Even opschrijven.

Want inmiddels weet ik ook wat er gebeurt wanneer ik denk:

Dat onthoud ik morgenochtend wel.

Dat doe ik dus niet.

De volgende ochtend weet ik alleen nog dat ik een briljant idee had.

Welk idee?

Geen flauw benul.

Maar het was fantastisch.

Het moeilijkste is soms helemaal niet schrijven

Soms moet een verhaal gewoon even in je hoofd blijven zitten.

Dat begint mij steeds duidelijker te worden.

Niet ieder probleem wordt beter wanneer je harder naar het toetsenbord kijkt.

Soms moet je koffie halen.

Even naar buiten.

Koken.

Met iemand praten.

Of iets compleet anders doen.

En dan, wanneer je helemaal niet probeert te schrijven, valt ineens dat ene stukje op zijn plaats.

Misschien is dat ook waarom schrijven er van buitenaf soms zo merkwaardig uitziet.

Een deel van het werk is onzichtbaar.

Je bent verbanden aan het leggen.

Mogelijkheden aan het testen.

Gesprekken aan het voeren die nog nooit hebben plaatsgevonden.

Je probeert te voelen of iets spannend is zonder overdreven te worden. Of iets verdrietig is zonder sentimenteel te worden. Of een personage iets zegt omdat híj het zou zeggen — of omdat jij toevallig een mooie zin bedacht hebt die je ergens kwijt wilt.

En soms ben je simpelweg aan het wachten.

Totdat het verhaal vertelt wat het nodig heeft.

Maar is het dan werk?

Daar komt natuurlijk de grote vraag.

Is schrijven voor mij eigenlijk werk?

Nee.

Tenminste, zo wil ik het voorlopig helemaal niet noemen.

Het is mijn hobby.

En juist daarom vind ik het zo heerlijk.

Er hoeft vandaag geen hoofdstuk af.

Er is geen baas die vraagt waar hoofdstuk zeven blijft.

Er staat geen productieplanning naast mijn computer.

Als ik morgen vier uur schrijf: prachtig.

Als ik morgen helemaal niets schrijf: ook prachtig.

En als ik drie uur achter mijn computer zit om uiteindelijk één zin te veranderen...

dan mag dat ook.

Hoewel ik mezelf waarschijnlijk alsnog ga afvragen waarom dat in vredesnaam drie uur moest duren.

En toch...

Na een goede schrijfsessie kan ik behoorlijk moe zijn.

Niet omdat ik fysiek zoveel gedaan heb.

Maar omdat ik een paar uur ergens anders ben geweest.

Ik heb gesprekken gevoerd.

Beslissingen genomen.

Problemen veroorzaakt en weer opgelost.

Ik heb door gangen gelopen die niet bestaan, naar stemmen geluisterd die niemand werkelijk heeft uitgesproken en me druk gemaakt over mensen die uitsluitend in mijn hoofd wonen.

En daarna klap ik mijn laptop dicht.

Van buitenaf is er nauwelijks iets gebeurd.

Misschien staat er een hoofdstuk meer op mijn computer.

Misschien maar een halve pagina.

Misschien één fantastische alinea.

Of één steen.

Maar hé...

hij ligt wél fantastisch.